Spreuken 25 — Spreuken verzameld door de mannen van Hizkia

Statenvertaling · Herziene Statenvertaling · NBG 1951 · King James Version

Spreuken 25 — “Spreuken verzameld door de mannen van Hizkia”. Lees Spreuken 25 online in de Statenvertaling, met daaronder de Herziene Statenvertaling, NBG-vertaling 1951 en de King James Version. Alle 28 verzen.

Spreuken 25 (Statenvertaling)

Spreuken van Salomo

1Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.

2Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.

3Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.

4Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;

5Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

9Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;

10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.

12Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.

13Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.

14Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.

15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.

17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

18Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.

19Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.

20Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en edik op salpeter.

21Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;

22Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.

23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.

24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

25Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.

26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.

27Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.

28Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.

Spreuken 25 (Herziene Statenvertaling / HSV)

1Ook dit zijn spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben overgeschreven.

2Het is Gods eer een zaak verborgen te houden, maar de eer van koningen een zaak te doorgronden.

3De hoogte van de hemel, de diepte van de aarde en het hart van de koningen zijn niet te doorgronden.

4Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een voorwerp voor de edelsmid uit komen.

5Doe een goddeloze weg van voor de ogen van een koning, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

6Praal niet voor de ogen van een koning en ga niet staan op de plaats van groten,

7want het is beter dat men tegen u zegt: Kom hier hogerop, dan dat men u vernedert voor de ogen van een edele, die uw ogen gezien hebben.

8Ga er niet te snel opuit om iemand aan te klagen. Wat zult u anders uiteindelijk doen, wanneer uw naaste u te schande maakt?

9Voer uw rechtszaak met uw naaste, maar maak het geheim van een ander niet openbaar,

10anders zou hij die het hoort, u kunnen smaden, en zou het kwaad gerucht over u niet te keren zijn.

11Een woord op het juiste moment gesproken, is als gouden appels in zilveren schalen.

12Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud, zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor.

13Zoals de koelte van sneeuw op de dag van de oogst, zo is een betrouwbare gezant voor zijn zenders, hij verkwikt de ziel van zijn meester.

14Zoals wolken en wind zonder regen, zo is iemand die zich beroemt op een valse gift.

15Met geduld wordt een leider overgehaald, en een zachte tong kan beenderen breken.

16Hebt u honing gevonden, eet dan tot u genoeg hebt, anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit.

17Zet uw voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste, anders zou hij genoeg van u krijgen en u gaan haten.

18Zoals een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl, zo is iemand die tegen zijn naaste een vals getuigenis aflegt.

19Zoals een gebroken tand en een verstuikte voet, zo is het vertrouwen op een trouweloze in de dag van benauwdheid.

20Wie liederen zingt bij een treurig hart, is als wie kleren uittrekt op een koude dag en zure wijn doet op loog.

21Als iemand die u haat, hongerlijdt, geef hem brood te eten, en als hij dorstig is, geef hem water te drinken,

22want zo zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.

23De noordenwind brengt regen voort en een achterbakse tong toornige gezichten.

24Het is beter te wonen op een hoek van een dak, dan in een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.

25Zoals koud water op een vermoeide ziel, zo is een goed bericht uit een ver land.

26Zoals een vervuilde bron en een verdorven fontein, zo is een rechtvaardige die voor de ogen van een goddeloze wankelt.

27Veel honing eten is niet goed, maar het onderzoeken van gewichtige dingen is een eer.

28Zoals een opengebroken stad zonder muur, zo is een man die zijn geest niet in bedwang houdt.

Spreuken 25 (NBG-vertaling 1951 / NBG 1951)

1Ook dit zijn spreuken van Salomo, welke de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben bijeengebracht.

2Het is Gods eer een zaak te verbergen, maar der koningen eer een zaak uit te vorsen.

3De hoogte des hemels, de diepte der aarde en het hart der koningen is niet te doorvorsen.

4Doe het schuim van het zilver weg, en er komt een werkstuk uit voor de zilversmid.

5Doe de goddeloze van de koning weg, en zijn troon wordt bevestigd door gerechtigheid.

6Praal niet bij de koning, ga niet staan op de plaats der groten;

7want het is beter, dat men tot u zegt: Kom hierheen, hoger op! dan dat men u vernedere voor de aanzienlijke, die uw ogen hebben gezien.

8Ga niet haastig over tot een rechtsgeding, want wat zult gij ten slotte doen, wanneer uw naaste u beschaamd maakt?

9Beslecht uw rechtsgeding met uw naaste, maar openbaar het geheim van een ander niet,

10opdat wie het hoort u niet beschimpe; dan zou het kwaad gerucht over u niet ophouden.

11Een woord, in juiste vorm gesproken, is als gouden appelen op zilveren schalen.

12Een wijs vermaner bij een luisterend oor, is een gouden ring en een fijn gouden sieraad.

13Gelijk de koelte der sneeuw in de oogsttijd, is een betrouwbare bode voor wie hem zendt; hij verkwikt de ziel van zijn heer.

14Dampen en wind en toch geen regen, zo is iemand die ophef maakt van een waardeloos geschenk.

15Door lankmoedigheid wordt de machtige vermurwd, een zachte tong verbreekt beenderen.

16Hebt gij honig gevonden, eet zoveel als u voldoende is, opdat gij er niet te veel van krijgt en het uitspuwt.

17Zet uw voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste, opdat hij niet genoeg van u krijge en u hate.

18Een knots en een zwaard en een scherpe pijl, zo is iemand die als vals getuige optreedt tegen zijn naaste.

19Als een afbrekende tand en een zwikkende voet is het vertrouwen op een trouweloze ten dage der benauwdheid.

20Als iemand die een kleed uittrekt op een koude dag, als azijn op loog, is wie liedjes zingt bij een treurig hart.

21Indien uw vijand honger heeft, geef hem brood te eten, indien hij dorst heeft, geef hem water te drinken;

22want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd, en de Here zal het u vergelden.

23De noordenwind verwekt stortregen, heimelijk gepraat toornige aangezichten.

24Beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke vrouw in een gemeenschappelijke woning.

25Goede tijding uit verren lande is koel water voor een dorstige ziel.

26Een troebel gemaakte fontein en een verontreinigde bron, zo is de rechtvaardige die voor de goddeloze wankelt.

27Veel honig eten is niet goed, maar het doorvorsen van zware dingen is een eer.

28Een stad met omvergehaalde muren, zo is iemand die zijn geest niet in bedwang heeft.

Spreuken 25 (King James Version / KJV)

1These are also proverbs of Solomon, which the men of Hezekiah king of Judah copied out.

2It is the glory of God to conceal a thing: but the honour of kings is to search out a matter.

3The heaven for height, and the earth for depth, and the heart of kings is unsearchable.

4Take away the dross from the silver, and there shall come forth a vessel for the finer.

5Take away the wicked from before the king, and his throne shall be established in righteousness.

6Put not forth thyself in the presence of the king, and stand not in the place of great men:

7For better it is that it be said unto thee, Come up hither; than that thou shouldest be put lower in the presence of the prince whom thine eyes have seen.

8Go not forth hastily to strive, lest thou know not what to do in the end thereof, when thy neighbour hath put thee to shame.

9Debate thy cause with thy neighbour himself; and discover not a secret to another:

10Lest he that heareth it put thee to shame, and thine infamy turn not away.

11A word fitly spoken is like apples of gold in pictures of silver.

12As an earring of gold, and an ornament of fine gold, so is a wise reprover upon an obedient ear.

13As the cold of snow in the time of harvest, so is a faithful messenger to them that send him: for he refresheth the soul of his masters.

14Whoso boasteth himself of a false gift is like clouds and wind without rain.

15By long forbearing is a prince persuaded, and a soft tongue breaketh the bone.

16Hast thou found honey? eat so much as is sufficient for thee, lest thou be filled therewith, and vomit it.

17Withdraw thy foot from thy neighbour's house; lest he be weary of thee, and so hate thee.

18A man that beareth false witness against his neighbour is a maul, and a sword, and a sharp arrow.

19Confidence in an unfaithful man in time of trouble is like a broken tooth, and a foot out of joint.

20As he that taketh away a garment in cold weather, and as vinegar upon nitre, so is he that singeth songs to an heavy heart.

21If thine enemy be hungry, give him bread to eat; and if he be thirsty, give him water to drink:

22For thou shalt heap coals of fire upon his head, and the LORD shall reward thee.

23The north wind driveth away rain: so doth an angry countenance a backbiting tongue.

24It is better to dwell in the corner of the housetop, than with a brawling woman and in a wide house.

25As cold waters to a thirsty soul, so is good news from a far country.

26A righteous man falling down before the wicked is as a troubled fountain, and a corrupt spring.

27It is not good to eat much honey: so for men to search their own glory is not glory.

28He that hath no rule over his own spirit is like a city that is broken down, and without walls.

Lees Spreuken 25 in de interactieve Bijbel →