Spreuken 24 — Wees niet afgunstig op de bozen

Statenvertaling · Herziene Statenvertaling · NBG 1951 · King James Version

Spreuken 24 — “Wees niet afgunstig op de bozen”. Lees Spreuken 24 online in de Statenvertaling, met daaronder de Herziene Statenvertaling, NBG-vertaling 1951 en de King James Version. Alle 34 verzen.

Spreuken 24 (Statenvertaling)

1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.

2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;

4En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.

5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.

6Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.

7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.

9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.

10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.

11Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.

12Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.

13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.

14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.

16Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.

17Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;

18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.

20Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

21Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;

22Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?

23Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.

24Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.

25Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.

26Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.

27Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.

28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?

29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.

30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;

31En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.

32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;

33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

Spreuken 24 (Herziene Statenvertaling / HSV)

1Wees niet jaloers op slechte mensen, en verlang er niet naar om bij hen te zijn,

2want hun hart bedenkt verwoesting en hun lippen spreken onheil.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd en door inzicht wordt het gegrondvest.

4Door kennis worden binnenkamers gevuld met allerlei kostbare en aangename bezittingen.

5Een wijs man is sterk, en een man van kennis zet zijn krachten in.

6Want na rijp beraad zult u oorlog voeren voor uzelf, en in een veelheid van raadgevers ligt de overwinning.

7Alle wijsheid is voor een dwaas te hoog, hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

8Wie kwaad doen beraamt, die zal men een meester in listige plannen noemen.

9Het bedenken van dwaasheid is zonde, een spotter is een gruwel voor de mens.

10Als u zich in de dag van benauwdheid slap opstelt, is uw kracht beperkt.

11Red hen die opgepakt zijn om te sterven, wee als u zich afzijdig houdt van wie wankelend ter slachting gaat.

12Wanneer u zegt: Zie, wij hebben dat niet geweten, zal Hij Die de harten toetst, dat niet merken? Hij Die uw ziel gadeslaat, zal Híj het niet weten? Immers, Hij zal een mens vergelden naar zijn werk.

13Eet honing, mijn zoon, want dat is goed, en honingzeem is zoet voor je gehemelte.

14Evenzo is het kennen van wijsheid voor je ziel: als je haar vindt, dan is er toekomst, en wordt je hoop niet afgesneden.

15Goddeloze, loer niet op de woning van een rechtvaardige, verwoest zijn verblijfplaats niet,

16want al valt een rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, maar goddelozen struikelen in onheil.

17Verblijd u niet als uw vijand valt, en laat uw hart zich niet verheugen als hij struikelt,

18anders zou de HEERE het zien en zou het slecht zijn in Zijn ogen, en zou Hij Zijn toorn van hem afwenden.

19Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, wees niet jaloers op de goddelozen,

20want het kwaad heeft geen toekomst, de lamp van goddelozen wordt uitgedoofd.

21Mijn zoon, vrees de HEERE en de koning, laat je niet in met hen die op veranderingen uit zijn,

22want hun ondergang zal plotseling opdagen en wie kent de verdrukking door hen beiden teweeggebracht?

23Ook deze spreuken zijn van de wijzen: Het is niet goed partijdig te zijn in een rechtszaak.

24Wie tegen een goddeloze zegt: U bent rechtvaardig, die zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem verwensen,

25maar hun die voor het recht opkomen, zal het aangenaam zijn, de zegen van het goede zal over hen komen.

26Men zal de lippen kussen van hem die met oprechte woorden antwoordt.

27Regel uw werk buiten en maak het op de akker voor u gereed, en bouw daarna uw huis.

28Wees niet zonder reden getuige tegen uw naaste, want zou u met uw lippen misleiden?

29Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen, ik zal die man vergelden naar zijn werk.

30Ik ging langs de akker van een luiaard, ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.

31En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels, distels bedekten zijn oppervlak, en zijn stenen muur was afgebroken.

32Toen ik het zelf aanschouwde, nam ik het ter harte, ik zag het en nam vermaning aan:

33een beetje slapen, een beetje sluimeren, een beetje liggen met gevouwen handen,

34zo komt uw armoede over u als een wandelaar en uw gebrek als een gewapend man.

Spreuken 24 (NBG-vertaling 1951 / NBG 1951)

1Wees niet afgunstig op booswichten en begeer niet met hen te verkeren;

2want hun hart bedenkt onderdrukking, hun lippen spreken onheil.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, door verstand wordt het bevestigd;

4door kennis worden de kamers gevuld met allerlei kostbaar en liefelijk bezit.

5Een wijs man is sterk, een man van kennis betoont kracht;

6want met overleg moet gij de strijd voeren en de overwinning ligt in de veelheid van raadgevers.

7Onbereikbaar is de wijsheid voor een dwaas, in de poort doet hij zijn mond niet open.

8Wie aldoor bedenkt kwaad te doen, die noemt men een aartsschelm.

9Het bedenken van dwaasheid is zonde, en de spotter is de mens een gruwel.

10Betoont gij u slap ten dage der benauwdheid, dan komt uw kracht in het nauw.

11Red hen die ten dode gegrepen zijn, wend u niet af van hen die ter slachting wankelen.

12Wanneer gij zegt: Zie, wij wisten dit niet – zal Hij, die de harten doorzoekt, het niet merken, en Hij, die op uw ziel let, het niet weten, en de mens naar zijn doen vergelden?

13Eet honig, mijn zoon, want dat is goed, honigzeem is zoet voor uw gehemelte;

14erken, dat de wijsheid zó is voor uw ziel. Als gij haar gevonden hebt, dan is er toekomst en uw verwachting wordt niet afgesneden.

15Gij goddelozen, belaagt de woning van de rechtvaardige niet, verwoest niet zijn verblijfplaats;

16want de rechtvaardige valt zevenmaal, doch staat weer op, maar de goddelozen struikelen in de rampspoed.

17Als uw vijand valt, verheug u dan niet; als hij struikelt, jubele uw hart niet,

18opdat de Here het niet zie en het Hem mishage, zodat Hij zijn toorn van hem zou afwenden.

19Wees niet afgunstig op de boosdoeners noch naijverig op de goddelozen;

20want voor de boze is er geen toekomst, de lamp der goddelozen wordt uitgeblust.

21Mijn zoon, vrees de Here en de koning, laat u niet in met oproermakers;

22want onverhoeds verheft zich hun verderf, en wie weet, hoe hun jaren in ongeluk vergaan!

23Ook dit zijn (spreuken) van wijzen. Aanzien des persoons in het gericht is verkeerd.

24Wie tot de schuldige zegt: Gij zijt onschuldig – hem zullen volken vloeken, natiën zullen hem verwensen,

25maar hun die recht oordelen, gaat het goed, over hen komt de zegen van de voorspoed.

26Wie juiste antwoorden geeft, kust de lippen.

27Maak buiten uw werk gereed en bereid het voor u op het veld; daarna kunt gij uw huis bouwen.

28Wees niet een lichtvaardig getuige tegen uw naaste, want zoudt gij misleiden met uw lippen?

29Zeg niet: Zoals hij mij deed, zo zal ik hem doen; ik vergeld de man naar zijn doen.

30Ik ging langs de akker van een luiaard en langs de wijngaard van een verstandeloos mens,

31en zie, hij was geheel begroeid met distels, met onkruid bedekt, zijn stenen muur was neergehaald.

32Toen ik dit aanschouwde, nam ik het ter harte, toen ik het zag, trok ik een les daaruit:

33nog even slapen, nog even sluimeren, nog even liggen met gevouwen handen,

34daar komt uw armoede aangelopen en uw gebrek als een gewapend man.

Spreuken 24 (King James Version / KJV)

1Be not thou envious against evil men, neither desire to be with them.

2For their heart studieth destruction, and their lips talk of mischief.

3Through wisdom is an house builded; and by understanding it is established:

4And by knowledge shall the chambers be filled with all precious and pleasant riches.

5A wise man is strong; yea, a man of knowledge increaseth strength.

6For by wise counsel thou shalt make thy war: and in multitude of counsellors there is safety.

7Wisdom is too high for a fool: he openeth not his mouth in the gate.

8He that deviseth to do evil shall be called a mischievous person.

9The thought of foolishness is sin: and the scorner is an abomination to men.

10If thou faint in the day of adversity, thy strength is small.

11If thou forbear to deliver them that are drawn unto death, and those that are ready to be slain;

12If thou sayest, Behold, we knew it not; doth not he that pondereth the heart consider it? and he that keepeth thy soul, doth not he know it? and shall not he render to every man according to his works?

13My son, eat thou honey, because it is good; and the honeycomb, which is sweet to thy taste:

14So shall the knowledge of wisdom be unto thy soul: when thou hast found it, then there shall be a reward, and thy expectation shall not be cut off.

15Lay not wait, O wicked man, against the dwelling of the righteous; spoil not his resting place:

16For a just man falleth seven times, and riseth up again: but the wicked shall fall into mischief.

17Rejoice not when thine enemy falleth, and let not thine heart be glad when he stumbleth:

18Lest the LORD see it, and it displease him, and he turn away his wrath from him.

19Fret not thyself because of evil men, neither be thou envious at the wicked;

20For there shall be no reward to the evil man; the candle of the wicked shall be put out.

21My son, fear thou the LORD and the king: and meddle not with them that are given to change:

22For their calamity shall rise suddenly; and who knoweth the ruin of them both?

23These things also belong to the wise. It is not good to have respect of persons in judgment.

24He that saith unto the wicked, Thou art righteous; him shall the people curse, nations shall abhor him:

25But to them that rebuke him shall be delight, and a good blessing shall come upon them.

26Every man shall kiss his lips that giveth a right answer.

27Prepare thy work without, and make it fit for thyself in the field; and afterwards build thine house.

28Be not a witness against thy neighbour without cause; and deceive not with thy lips.

29Say not, I will do so to him as he hath done to me: I will render to the man according to his work.

30I went by the field of the slothful, and by the vineyard of the man void of understanding;

31And, lo, it was all grown over with thorns, and nettles had covered the face thereof, and the stone wall thereof was broken down.

32Then I saw, and considered it well: I looked upon it, and received instruction.

33Yet a little sleep, a little slumber, a little folding of the hands to sleep:

34So shall thy poverty come as one that travelleth; and thy want as an armed man.

Lees Spreuken 24 in de interactieve Bijbel →