Romeinen 7 — De betekenis der wet

Statenvertaling · Herziene Statenvertaling · NBG 1951 · King James Version

Romeinen 7 — “De betekenis der wet”. Lees Romeinen 7 online in de Statenvertaling, met daaronder de Herziene Statenvertaling, NBG-vertaling 1951 en de King James Version. Alle 25 verzen.

Romeinen 7 (Statenvertaling)

Een verandering van heer

1Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft?

2Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.

3Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.

4Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

5Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen.

6Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.

7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.

8Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.

9En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.

10En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.

11Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood.

12Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.

13Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.

14Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

15Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.

16En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is.

17Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

18Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.

19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

20Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

21Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.

22Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;

23Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.

24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

25Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.

Romeinen 7 (Herziene Statenvertaling / HSV)

1Of, broeders, weet u niet — ik spreek immers tot mensen die de wet kennen — dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?

2Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond.

3Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt.

4Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.

5Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.

6Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei: U zult niet begeren.

8Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.

9Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.

10En het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek voor mij de dood te betekenen.

11Want de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en mij misleid en daardoor gedood.

12Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

13Is dan het goede de oorzaak van mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft — opdat zij als zonde zichtbaar zou worden — door het goede voor mij de dood teweeggebracht, opdat door het gebod de zonde uitermate zondig zou blijken te zijn.

14Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

15Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet, want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.

16En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is.

17Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbrengt, maar de zonde die in mij woont.

18Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet.

19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

20Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont.

21Ik ontdek dus deze wet in mij: dat, als ik het goede wil doen, het kwade dicht bij mij ligt.

22Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God.

23Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.

24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?

25Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.

26Zo dien ik dan zelf wel met het verstand de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.

Romeinen 7 (NBG-vertaling 1951 / NBG 1951)

1Of weet gij niet, broeders, – ik spreek immers tot wie de wet kennen – dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft?

2Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond.

3Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft.

4Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen.

5Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen;

6maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.

7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.

8Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood.

9Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven,

10en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn;

11want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood.

12Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

13Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod.

14Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.

15Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.

16Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.

17Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

18Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.

19Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik.

20Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

21Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;

22want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods,

23maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.

24Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

25Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!

26Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.

Romeinen 7 (King James Version / KJV)

1Know ye not, brethren, (for I speak to them that know the law,) how that the law hath dominion over a man as long as he liveth?

2For the woman which hath an husband is bound by the law to her husband so long as he liveth; but if the husband be dead, she is loosed from the law of her husband.

3So then if, while her husband liveth, she be married to another man, she shall be called an adulteress: but if her husband be dead, she is free from that law; so that she is no adulteress, though she be married to another man.

4Wherefore, my brethren, ye also are become dead to the law by the body of Christ; that ye should be married to another, even to him who is raised from the dead, that we should bring forth fruit unto God.

5For when we were in the flesh, the motions of sins, which were by the law, did work in our members to bring forth fruit unto death.

6But now we are delivered from the law, that being dead wherein we were held; that we should serve in newness of spirit, and not in the oldness of the letter.

7What shall we say then? Is the law sin? God forbid. Nay, I had not known sin, but by the law: for I had not known lust, except the law had said, Thou shalt not covet.

8But sin, taking occasion by the commandment, wrought in me all manner of concupiscence. For without the law sin was dead.

9For I was alive without the law once: but when the commandment came, sin revived, and I died.

10And the commandment, which was ordained to life, I found to be unto death.

11For sin, taking occasion by the commandment, deceived me, and by it slew me.

12Wherefore the law is holy, and the commandment holy, and just, and good.

13Was then that which is good made death unto me? God forbid. But sin, that it might appear sin, working death in me by that which is good; that sin by the commandment might become exceeding sinful.

14For we know that the law is spiritual: but I am carnal, sold under sin.

15For that which I do I allow not: for what I would, that do I not; but what I hate, that do I.

16If then I do that which I would not, I consent unto the law that it is good.

17Now then it is no more I that do it, but sin that dwelleth in me.

18For I know that in me (that is, in my flesh,) dwelleth no good thing: for to will is present with me; but how to perform that which is good I find not.

19For the good that I would I do not: but the evil which I would not, that I do.

20Now if I do that I would not, it is no more I that do it, but sin that dwelleth in me.

21I find then a law, that, when I would do good, evil is present with me.

22For I delight in the law of God after the inward man:

23But I see another law in my members, warring against the law of my mind, and bringing me into captivity to the law of sin which is in my members.

24O wretched man that I am! who shall deliver me from the body of this death?

25I thank God through Jesus Christ our Lord. So then with the mind I myself serve the law of God; but with the flesh the law of sin.

Lees Romeinen 7 in de interactieve Bijbel →