Kort gezegd zijn de Noachidische wetten volgens de joodse traditie zeven universele leefregels die gelden voor de hele mensheid (de afstammelingen van Noach), in tegenstelling tot de 613 geboden die specifiek voor het joodse volk zijn.
Dit zijn de 7 wetten:
Verbod op afgodendienst (geen andere goden aanbidden)
Verbod op godslastering
Verbod op moord
Verbod op diefstal
Verbod op seksuele immoraliteit (zoals incest en echtbreuk)
Verbod op het eten van vlees van een levend dier
Plicht tot het instellen van een rechtssysteem (rechtspraak)
Het eerste gebod — het verbod op afgodendienst — vormt direct een fundamenteel probleem voor het christendom.
Binnen het jodendom is God absoluut één en ondeelbaar. Het aanbidden van een mens of een Drie-eenheid valt volgens de joodse wetgeving onder afgodendienst (Avodah Zarah). Omdat christenen in het Nieuwe Testament geloven en Jezus als God aanbidden, wordt hun geloofsbelijdenis binnen een strikt Noachidisch kader gezien als een overtreding van de allereerste regel. De aanbidding van Jezus wordt in dat systeem dus automatisch als illegaal beschouwd.