Forum › Israël

Hoe zit het met de landbelofte aan Abraham?

door Gertjan · 10 Jul 2026 · 0 reacties · 30 weergaven
Gertjan 10 Jul 2026, 08:22

Wie geen helder zicht heeft op wie Gods volk is, zal ook de profetieën moeilijk kunnen begrijpen, zeker die over de landbelofte. Veel van die beloften worden "eeuwig" genoemd, en juist dat woord vraagt om aandacht. Eeuwig betekent: zonder begin en zonder einde. Het verbond met de twaalf stammen, het verbond van Sinaï, was van tijdelijke aard. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt het zo: 

Hebreeën 8:13 Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.

Het verbond met Abraham daarentegen is het eeuwige verbond. En hier is het goed om geen verwarring te laten ontstaan. Het nieuwe verbond is niet zomaar een ánder verbond dat het eeuwige aflost of afbreekt, maar de vervulling van de belofte die God in dat eeuwige verbond aan Abraham deed. Het is de voortzetting van het eeuwige: want onder dit nieuwe verbond staat alles in het bloed van Christus, en Christus is eeuwig. Zo blijft het eeuwige karakter van de belofte volledig overeind, niet in stenen tafelen of in afkomst, maar in Hem. En juist daarom blijft dit nieuwe verbond tot in eeuwigheid bestaan. Wat een wonder dat God Zich zo aan Zijn belofte houdt.

Abraham ontvangt van God de landbelofte, voor zijn nageslacht: 

Genesis 17:8 Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.

Ook dat moeten we lezen in het licht van Galaten 3. Want wie is Abrahams nageslacht? "En aan uw Nageslacht; dat is Christus" (Galaten 3:16). Het land is dus voor eeuwig beloofd aan Christus, en aan allen die in Hem zijn. Stel je eens voor dat dit zou gaan over het etnische nageslacht van Abraham. Hoe valt dan te verklaren dat het volk tot drie keer toe uit het land is gezet, waarbij het jaar 70 na Christus geldt als de definitieve verstrooiing? Die verstrooiingen waren geen toeval, maar telkens een oordeel van God, precies zoals Hij in de wet al had gewaarschuwd (Deuteronomium 28). 

Deuteronomium 28:63 En het zal gebeuren, zoals de HEERE Zich over u verblijdde om u goed te doen en u talrijk te maken, dat de HEERE Zich zo over u zal verblijden om u om te brengen en weg te vagen. U zult weggerukt worden uit het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen. 64. De HEERE zal u verspreiden onder al de volken, van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde. Daar zult u andere goden dienen, die u noch uw vaderen gekend hebben, hout en steen.
65. Daarbij zult u onder die volken niet tot rust komen en uw voetzool zal geen rustplaats hebben, want de HEERE zal u daar een bevend hart, kwijnende ogen en een treurende ziel geven.

Jezus zelf kondigde de verwoesting van Jeruzalem aan, omdat het volk de tijd van Gods bezoek niet had onderkend (Lukas 19:44). Een eeuwige belofte die aan afkomst hangt, laat zich daar moeilijk mee rijmen; een belofte die in Christus ligt juist wél, want Hij blijft tot in eeuwigheid.

God laat trouwens niet in het vage wat Hij aan Abraham belooft. In Genesis 15 noemt Hij zelfs de grenzen van het land: "van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat" (Genesis 15:18). Juist die belofte wordt vandaag ingeroepen om er territoriale aanspraken op te bouwen, tot aan het idee van een Groot-Israël toe. Maar bedenk dat het volk die grenzen in de geschiedenis al bereikt heeft: het rijk van koning Salomo strekte zich uit van de Eufraat tot aan de grens van Egypte (1 Koningen 4:21). God heeft Zijn belofte dus al eens ingelost.

Verder wijzen veel mensen het jaar 1948 aan als een werk van God: de terugkeer van het volk naar het beloofde land. Maar leg dat eens naast die grenzen. Als 1948 de vervulling van de landbelofte zou zijn, zou God dan niet flink tekortgeschoten zijn? De huidige staat beslaat immers maar een fractie van het land dat Hij aan Abraham beloofde, van Egypte tot aan de Eufraat. Natuurlijk faalt God niet. Het laat juist zien dat de belofte niet in een moderne staat tot vervulling komt, maar in Christus.

En de volle (eeuwige) vervulling is nog onderweg. Wanneer Jezus terugkomt, zal Hij als Koning regeren, samen met de gelovigen. In Openbaring lezen we dat Hij ons "tot koningen en priesters" heeft gemaakt en dat wij als koningen zullen regeren (Openbaring 5:10). Johannes ziet zelfs tronen, waarop de gelovigen plaatsnemen en met Christus regeren (Openbaring 20:4 en 6). Zo komt de landbelofte tot haar volle vervulling: niet los van Christus, maar juist in Hem en met Hem.

Er is nog een reden waarom een puur etnische lezing niet standhoudt. Stel dat de belofte wél over de bloedlijn van Abraham zou gaan, waarom zouden dan alleen de Joden recht hebben op dat land? Abraham had namelijk acht zonen: niet alleen Izak, maar ook Ismaël en de zes zonen van Ketura (Genesis 25:1-2). Ook zij zijn naar afkomst zijn nageslacht. De belofte ging echter nooit over louter bloedverwantschap, maar liep door de lijn van de belofte, via Izak en Jakob, en die lijn komt uiteindelijk uit bij de ene Erfgenaam, Christus (Galaten 3:16), en bij allen die in Hem zijn.

Niet voor niets schrijft Paulus dat Abraham en zijn nageslacht "erfgenaam van de wereld" zouden zijn, en wel door het geloof. 

Romeinen 4:13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof.

In Christus is de belofte zelfs groter geworden dan één stuk land; ze reikt tot heel de aarde. Abraham zelf keek daar trouwens al naar uit: hij verwachtte "de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is" (Hebreeën 11:10).

Dan blijft er nog een eenvoudige vraag over: als je niet bij Abrahams nageslacht hoort, heb je dan deel aan de belofte voor de erfgenamen (Galaten 3)? En erf je dan ook het land dat voor eeuwig aan Abraham beloofd is? Wie de Bijbel nauwkeurig leest, kan maar één conclusie trekken: je krijgt alleen door geloof in Jezus Christus deel aan de belofte. Niet je afkomst, niet je religie, maar Christus alleen.

Galaten 3:7 Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.
Romeinen 9:6 Ik zeg dit niet alsof het Woord van God vervallen is, want niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël. 7. Ook niet omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen. Maar: Alleen dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. 8. Dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend.
Open in het forum →