Het is een terugkerende discussie onder christenen: moeten wij bidden voor Israël? Vaak wordt daarbij Psalm 122:6 aangehaald: "Bid om de vrede van Jeruzalem." Dat lijkt het gesprek te sluiten, maar volgens mij begint het daar juist.
God kent geen aanzien des persoons
De Bijbel zegt het meerdere keren, in het Oude én het Nieuwe Testament: bij God is geen aanzien des persoons (Deuteronomium 10:17, Romeinen 2:11, Handelingen 10:34). Het ene volk is voor Hem niet kostbaarder dan het andere. Petrus trekt in Handelingen 10 precies die conclusie: "in ieder volk is degene die Hem vreest en gerechtigheid doet, Hem welgevallig." Niet afkomst telt, maar geloof en gerechtigheid.
Want Ik zal niet luisteren
Onder het oude verbond was etnisch Israël Gods uitverkoren volk. Maar ook toen was die verkiezing geen vrijbrief. Lees Jeremia 11. God herinnert het volk aan het verbond dat Hij met hen sloot en stelt vast dat zij het gebroken hebben. En dan zegt Hij tegen Jeremia iets opmerkelijks: "Bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, want Ik zal niet luisteren" (Jeremia 11:14; vergelijk 7:16 en 14:11).
Denk daar even over na. Dit is het uitverkoren volk. En toch verbiedt God Jeremia te bidden om zegen over een volk dat welbewust in onrecht volhardt. Een gebed dat God vraagt om iets te zegenen wat Hij veroordeelt, wordt niet verhoord.
Hoeveel te meer nu
Als dat al gold onder het oude verbond, hoeveel te meer geldt het dan nu? Het Nieuwe Testament leert dat de belofte niet aan het vlees hangt maar aan het geloof: "niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël" (Romeinen 9:6), en wie van Christus is, is Abrahams nageslacht (Galaten 3:29). Het Jeruzalem waar de gelovige naar uitziet, is "het Jeruzalem dat boven is" (Galaten 4:26, Hebreeën 12:22). Psalm 122 lezen als een opdracht om te bidden om de politieke en militaire voorspoed van een moderne staat, doet die psalm en het hele Nieuwe Testament tekort.
Intussen pleegt de staat Israël daden waarvan wij met de Bijbel in de hand niet kunnen zeggen dat God ze zegent. Daarnaast verwerpt het Jodendom de God van de Bijbel, Jezus Christus. Als wij dan bidden voor die staat of religie, wat vragen we dan eigenlijk? Hoe zal God reageren op zo'n gebed?
Waar we wél voor mogen bidden
We worden opgeroepen om voor elk mens te bidden (1 Timotheüs 2:1): om gerechtigheid, om spirituele vrede, voor Jood en Moslim. Niet om een zegen op onrecht, en niet omdat één volk een streepje voor zou hebben. Laten we bidden om de individu, dat ze in aanraking komen met het ware evangelie. En nog belangrijker, bid voor arbeiders!
Persoonlijk geloof ik dat we God veel pijn doen wanneer we Zijn naam verbinden aan wat Hij veroordeelt, en van Hem vragen wat Hij Jeremia al verbood te vragen.